De Blueskrant

Hoofdmeester Chris Jagger vertelt.

Hoofdmeester Chris Jagger bekrachtigt de waarde van de Blues.

Chris Jagger [1947] is de jongere broer van The Rolling Stones frontman Mick Jagger. Is dat bijzonder? Voor sommige mensen wel maar voor Chris de gewoonste zaak van de wereld. Na omzwervingen in de theater-, cinema-, musical-, kleding- en decoratiewereld wordt in de jaren zeventig zijn project; het opnemen van een album met de Flying Burrito Brothers, afgebroken. Ook een album waar hij met Steve Cropper aan werkte zag nooit het levenslicht.  Chris heeft -in navolging van zijn grote broer- de drang om zich te laten gelden en maakt drie albums aan het begin van de jaren zeventig. In de jaren tachtig levert Chris een bijdrage aan twee albums van The Rolling Stones, Dirty Work uit 1986 en drie jaar later voor Steel Wheels. Als journalist schrijft hij substantiële artikelen voor The Daily Telegraph, The Guardian, The Mail, The Independent en popmagazine Rolling Stone. Na twintig jaar muzikale stilte brengt Chris zijn derde album uit in 1994. Zijn muziekstijl bevat elementen van cajun, zydeco, folk, country, blues en rock. Op het album Concertina Jack uit 2013 werkt Chris samen met zijn broer Mick, dit ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van zijn debuutalbum. In 2017 brengt hij zijn twaalfde album met de titel All the Best uit, een compilatie van de favoriete stukken uit Chris zijn oeuvre.

“Zonder de muzikale kadootjes van mijn broer was ik misschien nooit muzikant geworden”

Op een rommelige zolderkamer zit Chris in een oude krakende bureaustoel tussen flarden papier, kartonnen dozen, prullaria en een enkel verdwaald Rolling Stones relikwie. Zijn haar in de war en als een doorkneed professor begint Chris Jagger aan een lezing over ‘de blues’ In Engeland. Als je je ogen dicht doet, lijkt het alsof je af en toe tegenover grote broer Mick zit. Sssssst, de lezing van doctorandus Jagger begint.

“De muziek was in mijn jonge jaren niet op die manier voorhanden als tegenwoordig, je moest er zelf op uit om iets te ontdekken. Er was in iedere stad wel een select gezelschap van nerds dat op wonderbaarlijke wijze de nieuwste elpees wist te bemachtigen. Ze kwamen bij elkaar in rokerige koffietenten en de brutalen uit het clubje belden gewoon bij de mensen aan waarvan ze hadden gehoord dat ze een bijzonder album in bezit hadden. Ongegeneerd vroegen ze of ze het album mochten lenen. Mijn broer Mick was een aantal jaren ouder dan ik en struinde met een stel gelijkgestemde kornuiten, zoals The Rolling Stones oprichter Dick Taylor, de plekken af waar de jukeboxen stonden. Daarin zaten singles van Amerikaanse hit-artiesten zoals, Elvis Presley en Buddy Holly. Geïnteresseerd als ze waren ontleden ze die nummers en vonden ze ook het origineel. Dat was het betere speurwerk destijds. De jazz was trouwens nog veel beter vertegenwoordigd dan de blues destijds. In London had Doug Bell de meest vooraanstaande platenwinkel op jazzgebied, genaamd Dobell’s. Hij had ruimte gemaakt voor een kleine sectie bluesplaten, want zelfs de jazzsnobs moesten met tegenzin toekijken hoe de blues aan populariteit aan het winnen was. Blues werd nog bestempeld als folkmuziek, wat het als het ware ook was voordat de elektrische gitaren er aan te pas kwamen. Dobell’s werd een plek voor iedereen die nieuwe, obscure muziek interessant vond. Er werd gefilosofeerd, gerookt en natuurlijk veel muziek geluisterd. Het was een dure business om telkens weer een elpee aan te schaffen dus werden er heen en weer elpees van elkaar geleend en met een microfoontje voor de speaker opgenomen op een bandrecorder. Dat waren natuurlijk geen beste opnames en werden nog slechter wanneer er over die banden opnieuw opgenomen werd. Niemand taalde naar de slechte kwaliteit, want je had iets unieks. Ik had het geluk dat ik de bandrecorder en alle tapes die erbij hoorden kreeg van Mick toen hij ging studeren in London. Zo hoorde ik voor het eerst Chuck Berry, Jimmy Reed en al die andere oude blues, een geweldige tijd als ik er op terugkijk. Bij ons thuis werd er eigenlijk nooit muziek gedraaid. Er was zelfs geen platenspeler of muziekinstrument in huis. Het is ons op geen enkele wijze aangeboden, dus zonder de muzikale kadootjes van mijn broer was ik misschien nooit muzikant geworden.”

“Je was, zacht gezegd, een beetje tegendraads als je naar de zwarte muziek luisterde”

Chris draait wat ongedurig op zijn stoel maar lijkt zich te amuseren, over muziek praten is het liefste wat hij doet. Hij veegt met zijn hand nog eens door zijn dunne witte lokken en vervolgt zijn epos. “Ik denk dat ik voor het eerst écht onder de indruk was van de single What I’d Say van Ray Charles. Een live nummer dat was verdeeld over de twee kanten van de single. Dat had ik nog nooit eerder gezien. Er zat een soort spanning in waardoor je zo snel mogelijk de single wilde omdraaien om te horen hoe het nummer verder ging. Ray Charles was een grote inspiratie en zeker niet alleen voor mij want hij bracht een soort cross-over rhythm & blues, met een vleugje gospel. Wat hij deed was uniek en voor mij het eerste nummer waarop ik een elektrische piano hoorde. Het was muziek voor een select gezelschap want zwarte muziek was natuurlijk niet gecultiveerd. Het kwam niet in de buurt van de -in de dwangbuis gegespte- Westerse klassieke muziek zoals Porgy & Bess. Je was -zacht gezegd- een beetje tegendraads als je naar de zwarte muziek luisterde, dat deed je voor jezelf als avonturier. Mijn theorie is dat de Kerk haar gemeenschap verboden had om naar drums te luisteren, drummen en elke vorm van gesyncopeerde ritmes was duivelsaanbidding. Het in trance raken op een ritme was blasfemie en alleen voor duistere culturen. Junglemuziek werd het genoemd en alles wat uit de jungle kwam was per definitie eng en gevaarlijk.”

“Wat is in hemelsnaam een Backdoor Man”

Chris is begonnen aan een monoloog die niet te onderbreken valt, zo eentje die je ook echt niet tot stoppen wil dwingen. “Ik begon interesse te krijgen in expressieve professies zoals theater en film, niet praktiserend maar in eerste instantie vooral als toeschouwer. Mijn vader was van origine geschiedenisleraar en wanneer we het over Engelse historie zoals Shakespeare hadden, wist hij altijd net dat beetje extra. Hij kon goed overweg met woorden waardoor ik, zoals veel jeugdige leeftijdgenoten, waarschijnlijk gedichten en verhalen ben gaan schrijven. Misschien was het de voorbode van het schrijven van een lied. Tegenwoordig wordt iedere ingeving maar op internet gesmeten, vroeger hield je dat voor jezelf en schreef je op wat je ervaarde. Het was veel persoonlijker. De zwarte bluesmuzikanten die van origine uit Afrikaanse landen kwamen leerden in Amerika de Engelse taal. Een zwarte meneer genaamd Muddy Waters zong in het Engels over wat hij had meegemaakt, dat zijn vrouw hem verlaten had en dat hij te weinig whisky had. Dat was heel andere koek dan die brave Cliff Richard. Muddy Waters had geleefd, dat zag je in zijn gezicht en dat hoorde je in zijn stem. Al die mannen brachten nieuwe woorden in het Engelse vocabulaire, woorden waar iedereen gefascineerd door raakte. Wat is in hemelsnaam een ‘backdoor man’ of een ‘taildragger’, hoe werkt een ‘mojo’ en wat betekent ‘dust my broom’. Er zat veel seksualiteit in die nummers en dat was voor de tieners heel erg spannend. De meeste mensen luisterden nog naar die saaie muziek met onze keurige Engelse rijmelarij. Ik zag John Lee Hooker spelen toen hij al wat ouder was en hij flirtte vanaf het podium met de jonge dames. Daar lag de grootste kracht van de blues, voor het eerst werd het een spel tussen muzikant en publiek.”

‘Een van de weinigen die het al snel begreep was Alexis Korner’

Chris is een onderhoudende spreker en neemt ons mee naar de mooie tijden waarin de grondlegger van de British Blues Alexis Korner zijn nek uitsteekt. Chris presenteerde hierover voor de BBC Radio een programma waarin hij deze belangrijke periode in de Engelse muziekgeschiedenis uitlicht. “Een van de weinigen die het al snel begreep was Alexis Korner, samen met Cyrill David waren zij de pioniers van de Engelse blues. In de jazzclubs introduceerden zij de blues als duo. Toen ze samen in 1957 de The London Blues and Barrelhouse Club begonnen werd het fundament gelegd voor een heuse bluesscene. De bluesliefhebbers waren in staat om Davies en Korner te zien optreden met Amerikaanse blues- en folkartiesten zoals Muddy Waters, Sonny Terry en Brownie McGhee, Big Bill Broonzy, Memphis Slim en Champion Jack Dupree.

In 1961 kwam er een eind aan de club en vormden ze de ‘supergroep’ Blues Incorporated, bestaande uit een roulerende poule van de beste artiesten in de Britse bluesscene met onder meer, Charlie Watts, Jack Bruce, Ronnie Jones en Art Wood. De meeste jazzclubs in Londen waren begin jaren zestig al gesloten, dus in maart 1962 openden ze hun eigen club, die al snel grote groepen jonge enthousiastelingen trok, waaronder Mick Jagger, Keith Richards en Brian Jones, Ian Stewart, Steve Marriott, Paul Jones en Manfred Mann. Het werd vaak een grote jamsessie waarbij iedereen met elkaar op het podium stond. Zelfs met die Amerikaanse bluesartiesten die regelmatig aanwezig waren. Zo ontstonden er Engelse back-up bands voor de Amerikaanse artiesten en werd de bluesscene groot in Engeland. Ook Eric Clapton, Jeff Beck, Robert Plant en de mannen van de band Free hebben een boel te danken aan Alexis Korner.”

“Als jij een nummer over je voeten wil zingen, dan doe je dat”

Dat zijn muzikale carrière veel later begint dan die van zijn broer Mick kan Chris niets schelen. Of hij daarover de waarheid spreekt is aan zijn gezicht niet af te lezen, maar enige vorm van jaloezie is op geen enkele wijze te bespeuren tijdens de geschiedenisles van hoofdmeester Jagger. “Als je Keith Richards of Jimi Hendrix hebt gezien dan is het laatste wat je gaat doen; gitaarspelen. Ik kon nog zo goed mijn best doen maar toen ik de Yardbirds gezien had met Jeff Beck, heb ik dat ding snel weer in de hoek gezet. Ik ben pas weer gitaar gaan spelen toen ik 21 jaar was. Ik heb veel bands gezien en zoveel indrukken opgenomen, het is belangrijk om veel te zien en goed te kijken en te luisteren. Misschien was ik een langzame leerling, ik heb alles gewoon opgepikt. Dat moet je trouwens je hele leven blijven doen. Mijn jeugdvriend Charlie Hart en ik luisterden naar rhythm & blues, ska en folk, als we niet met de meisjes bezig waren tenminste. Als je jong bent dan zit je vol geweldige ideeën en ben je ambitieus waardoor je niet doorhebt dat alles al eens gedaan is. Ik vind het tegenwoordig onmogelijk om met iets unieks op de proppen te komen. Samen met Charlie Hart schrijf ik nog steeds nummers. Laatst heb ik een mooie tekst gebruikt uit een gedicht uit 1812. Soms steel je wat en soms heb je geen idee waar de inspiratie vandaan komt en gebeurt het gewoon. Dat vind ik altijd interessante puzzels want ik heb een hekel aan clichés zoals, ik hou van jou en ik blijf je trouw. Zodra je dat blijft herhalen verliest het elke vorm van betekenis. Bob Dylan is de man die daar rigoureus korte metten mee gemaakt heeft, songwriting was daarna nooit meer hetzelfde. Dylan vond dat een lied overal over mocht gaan. Als jij een nummer over je voeten wil zingen, dan doe je dat. Iedereen raakte geïnspireerd door Bob Dylan zijn nieuwe benadering; John Lennon, vanzelfsprekend The Beatles en waarschijnlijk ook mijn broer Mick. Het werkte bevrijdend voor heel veel tekstschrijvers. Natuurlijk kopieerde Bob Dylan ook teksten van de oude bluesmeesters maar deed er iets mee vanuit zijn eigen interpretatie.”

“Zo start je op geen enkel vlak een carrière”

Chris kan zich zichtbaar opwinden over de manier waarop er tegenwoordig met muziek en talent wordt omgegaan. “Ik heb een hekel aan de competitie in de muziek, die kinderen die op het podium staan bij The Voice hebben niets te vertellen. Ze hebben nog niet geleefd en weten niet wat ze zingen. Zo start je op geen enkel vlak een carrière. Geef mij maar Johnny Cash, met zijn timbre en wijsheid, dat geloof ik tenminste, zelfs als het nergens over gaat. Alles draait om commercie, zelfs de blues die op geen enkele wijze ooit zo bedoeld is, is als popmuziek uitgebuit. Er zijn een aantal pop-albums die ik mooi vind maar ik heb een hekel aan popmuziek. Ook al heb je het gemaakt, dan is het nog de kunst om je te blijven vernieuwen en niet in herhaling te vallen. In 2010 zag ik Willie Nelson op het Glastonbury festival, een groot artiest en een voorbeeld voor iedere muzikant. Die man had op elk festival ter wereld gespeeld en stond nog steeds op het podium alsof hij bij je thuis op de bank zat, hij raakte iedereen. Hij had niets meer te bewijzen maar gaf een show met een onbevangenheid alsof het zijn eerste keer was. Op die manier kun je niet op het podium staan als je 12 of 21 jaar bent, daarvoor moet je door het leven gepokt en gemazeld zijn.”

“Ineens was ik de roadie van Buddy Guy”

We lijken aan het einde van het betoog van Chris te zijn gekomen waardoor ik de kans krijg om hem te vragen naar de prachtige film die hij voor Sky Arts- maakte met de titel I Got the Blues in Austin. Daarin gaat Chris op zoek naar de overleveringen van de oude bluesmeesters. “Het is zo ontzettend belangrijk om mensen als Hubert Sumlin’ en Pinetop Perkins op tape te hebben voordat ze er niet meer zijn. Ze vonden het erg fijn dat ik degene was met wie ze mochten praten, zonder commercieel gedoe er omheen, gewoon muzikanten onder elkaar. Mick was ook mee en we waren een grote familie. Mick had natuurlijk met veel van deze mensen gespeeld en ze altijd de credits gegeven die ze verdienden. Ik ben erg blij dat ik hun verhalen heb mogen vastleggen. Voor hen was het allerbelangrijkste dat hun verhalen werden doorverteld. Als muzikanten bij elkaar gaan zitten waar ook ter wereld dan worden er verhalen verteld. Heldendichten, roddelpraat, grootspraak en levenslessen, het maakt niet uit. In de verhalen van muzikanten hoor je het leven en de levenslessen die daarbij horen, ze spreken altijd tot de verbeelding. Dat is de reden waarom ik destijds gestopt ben als journalist, de mensen willen verhalen lezen en niet de mening van een journalist. In mijn tijd als journalist heb ik heel veel geleerd van alle liveshows die ik heb mogen zien, van euforische momenten tot gênante vertoningen. Ik kan me nog goed herinneren dat ik een interview met Buddy Guy en Junior Wells mocht doen voorafgaand aan een show in een kleine club in London, ergens eind jaren tachtig. Buddy had geen versterker bij zich en had zelfs een gitaar geleend. Tijdens de show wenkte Buddy naar mij omdat hij dorst had en ineens was ik de roadie van Buddy Guy, dat was bijzonder. Buddy Guy’s carrière zat een beetje in het slob en hoopte dat de grote mannen, Eric Clapton en mijn broer Mick langs zouden komen. Wij hadden alles geleerd van Amerikaanse bluesmannen en nu had deze Amerikaanse bluesman de nieuwe Engelse bluesgeneratie nodig om op de been te blijven. Helaas kwam geen van de grote jongens kijken naar Buddy Guy. Ik bleef die avond rondhangen met Buddy en kon hem in contact brengen met mijn vriend en producer John Porter. Daarmee maakte Buddy in 1991 zijn comeback-album Damn right I Got The Blues. Had ik daar stiekem een steentje aan bijgedragen.”

“Ik luister liever naar Taj Mahal en Eric Bibb dan naar Joe Bonamassa”

Chris jager is niet onverdeeld enthousiast over de huidige stand van zaken met betrekking tot de blues. “Die Amerikaanse bluesbands die alleen maar met veel volume gitaarriffs in je gezicht smijten, daar kan ik slecht tegen. Ik luister liever naar Taj Mahal en Eric Bibb dan naar Joe Bonamassa die voor mij al heel snel vervalt in clichés. Zwarte jongeren willen niet meer met slavernij geassocieerd worden, ze willen op zichzelf staan en hebben weinig boodschap aan de blues. De blues is ook overgenomen door de witte mensen, is dat evolutie of armoede, zeg jij het maar. Zelfs de Stones hebben recentelijk nog een volledig blues album opgenomen. Op dat album staan twee nummers die ik al 25 jaar in mijn repertoire heb, Just Your Fool en Just like I Treat You. Nu kan ik die nummers niet meer spelen omdat iedereen dan denkt dat ik het gejat heb van mijn broer of dat ik mee wil liften op hun succes. Zo zit die muziekwereld ook in elkaar. Ik klim op het podium om de muziek te spelen die ik graag speel. Zydeco is hetgeen ik zelf erg graag speel maar tijdens de show hoor je ook country of een fijne bluesshuffle. Zydeco lijkt op Afrikaanse muziek waarop iedereen lekker kan dansen. Dus als je tijdens mijn show stil in een hoekje blijft staan dan ben je op de verkeerde plek.”

Op 10 september 2021 komt Chris Jagger zijn nieuwe album Mixing up The Medicine uit, de single ‘Merry Go Round’ is reeds te beluisteren via Spotify, YouTube en andere streamingdiensten.

 www.chrisjaggeronline.com

 *Dit artikel verscheen eerder in editie 14 van Dé Blueskrant.